Prachtig rondje vanaf camping La Mola

2,5 uurtjes trappen waarin je 52 kilometer en 1.100 hoogtemeters wegwerkt. Dat zijn de ingrediënten van een heerlijk rondje vanaf camping La Mola in Espot.

Het is een redelijk kort rondje, maar absoluut een aanrader, die je zelfs kunt inkorten tot 42 kilometer. Vanaf de camping begint direct het feest. Vrijwel tegenover de camping ligt de route naar de dorpjes Jou en Son. De route begint met ruim twee geweldige kilometers klimmen. De weg is al snel een balkon vanwaar je prachtig naar het dal en de bergketens kijkt.

Na het eerste klimwerk is het tot het dorp Son afwisselend klimmen en dalen. Geen meter is vlak. De weg is van redelijke kwaliteit. Doordat de weg smal is, er weinig zeer overzichtelijke stukken zijn en de afdalingen kort hou ik me op de neerwaartse stukken in met mijn snelheid. Vanaf Son is er wel een langere afdaling. In een kilometer of vier kom ik uit op de C13.

Prachtige natuur
Op de C13 daal ik kort verder tot de eerste afslag links naar Valencia d’Aneu. Een bochtig parcours brengt me nog verder naar beneden, waarna in Esterri er een voorlopig einde komt aan het daalwerk. In Esterri volg ik de bordjes naar Alós d’Isil. Ik had er niet op gerekend hier zo’n prachtige route aan te treffen. De smalle weg (prima asfalt) leidt door prachtige natuur. En ik ben voorzichtig weer aan het klimmen. De percentages zijn mild, dus er is alle gelegenheid van de omgeving te genieten, inclusief het maken van foto’s.

De lucht in
Na het water bij Borén over te steken, is er van voorzichtig klimmen geen sprake meer. De weg gaat hier serieus de lucht in en zowel mijn Mio als benen constateren dat de percentages hier regelmatig boven de tien liggen

Vliegen!
Het klimwerk duurt tot de afslag bij Sorpe, waarna letterlijk en figuurlijk alle remmen los mogen. Dit stuk van de C13 in de richting van Sort (en dus Espot) is een daalwalhalla. Brede weg, uitstekend asfalt, geen bochten en een daling van een procent of acht à negen. Vliegen maar! Ik noteer hier gedurende een aantal kilometer snelheden van boven de 60, met af en toe een uitschieter naar ruim boven de 70.

Daarna loopt de weg licht glooiend naar de afslag naar Espot. Deze klim gaat over een brede weg in een fraaie omgeving en is zo’n vijf kilometer tot de camping. Hier heb je er 42 kilometer op zitten. Je kunt dan stoppen, maar nog leuker: plak er vijf extra kilometer aan vast om naar Super Espot te rijden. Dat is het skistation van het mooie bergplaatsje.

Ik plak deze bestemming vandaag aan mijn rit en merk dat het klimmetje naar de skibestemming no best pittig is. Helaas ontbreekt een duidelijke finish, waardoor ik de parkeerplaats tot eindpunt bombardeer. Na een foto daal ik terug naar de camping. Wat een heerlijk rondje is dit!

De rit: the movie

Rit op Strava

Port del Canto via B-zijde: een verschrikking

Van de info die ik op Google vond over de Port del Canto werd ik niet super enthousiast. Dus ik verzon een geweldig plan: ik ga ‘m opfietsen via de B-kant, waar de minidorpjes Puigforniu en Soriguera gelegen zijn. Wát een foute keuze.

Ik begin mijn rit vandaag kort voor het plaatsje Rialp. Om op te warmen heb ik vanuit dit dorp een ommetje gepland via een colletje dat me de eerste ruim honderd hoogtemeters van vandaag bezorgt. De afdaling brengt me bij Sort, waarna ik via de N260 linksaf sla naar de LV5131, de door mij bedachte schitterende B-kant van de Port del Canto.

Ik had het al kunnen weten vanaf het begin van deze route. Een ploeg wegwerkers was bezig de weg van de LV5131 op te knappen. Ik meende al een frons op het gezicht van één van de mannen te zien: ‘ga jij hier fietsen, joh? Nou, sterkte!’

Lesje Spaanse wegwerkzaamheden
Overigens doet deze ploeg die werkzaamheden heel bijzonder, met drie units. Unit 1 spuit één of ander teerachtig spul in een gat, unit 2 kiepert daar een berg kiezelsteentjes in en unit 3 rolt de boel plat. En wat niet meteen plat is wordt overgelaten aan unit 4: auto’s of wielrenners met enige verstandelijke gebreken die hier komen fietsen.

Op deze col ligt in vrijwel elke vierkante meter wel een gat dat deze ploeg te dichten heeft. Ook ik heb mijn wenkbrauwen te fronsen: gaat dit de hele weg zo door? Vanaf de afslag naar het plaatsje Malmercat lijkt er goed nieuws onderweg: hier wordt de weg plotseling uitstekend. Helaas duurt dat kort en vanaf daar wordt de weg slechter en slechter.

Normaal vind ik een slechte weg niet zo erg als ik alleen maar hoef te klimmen, maar er zitten op deze route ook wat stukken bij dat ik mag afdalen. En de weg is gewoon echt k*t. Waar het in het begin nog ging over putten in asfalt zijn er verderop stukken waar geen asfalt meer te bekennen is. Strade Biachi-achtige grindpaden maken normaal fietsen onmogelijk. Ik hoop vooral dat ik overeind blijf en niet lek rijd.

Verdwaalde Belgen
Typerend voor zowel deze blog als mijn ervaring op deze col (moet ik dit grindpad nog wel zo noemen?) is dat mijn focus volledig bij de weg ligt en niet meer bij de omgeving of mijn sportieve prestaties. De omgeving is uiteraard mooi. De ‘weg’ van de LV5131 leidt over de twee tegenoverliggende zijden van bergkanten, waartussen een groen dal gelegen is. Door de begroeiing is behalve de overdaad aan groen niet altijd heel veel van de omgeving te zien, maar in ieder geval genoeg om te constateren dat het hier wederom mooi is. Maar eerlijk is eerlijk: mijn campingrondje vanaf La Mola is stukken mooier. Verder is het grindpad super rustig. Tijdens de circa 15 kilometer stuiteren kom ik welgeteld één motor tegen, uit België met daarop vermoedelijk twee verdwaalde zuiderburen.

Whoohoo!
Ik juich als ik uiteindelijk het héééérlijke asfalt van de N260 op rij. De overige kleine tien kilometer richting de top van de Port del Canto mag ik op deze grote weg rijden. Deze weg is heel rustig (vandaag in ieder geval), breed en zoals ik me al had ingebeeld niet super sprankelend. De percentages zijn mild (vrijwel nooit boven de acht) en de omgeving is heel groen. Na inmiddels tientallen cols te zijn op gereden, vind ik ‘m eerlijk gezegd ook wat saai. Al zou ik ‘m 1000 keer willen inruilen voor mijn thuisrondje Kijkduin.

Op de 1720,8 meter hoge Port del Canto (aldus het topbord) maak ik een fotootje en keer om. Ik maak een pitstop bij het enige eettentje op de berg, waar een man, vrouw en baby (gedragen op de buik van zijn moeder) de gasten voorzien van drinken of het enige gerecht dat op de menukaart staat. Vandaag is dat patat met worst en een Russische salade. Ik bestel het maar, werk het aardig weg en vervolg mijn afdaling. Deze loopt als een trein, waardoor ik in een zucht weer bij Sort ben.

Moraal
Niet geheel voldaan door de tegenvallende route slinger ik mijn fiets weer in de auto en denk dat ik over deze fietsrit niet eens een blog ga schrijven. Een dag later ben ik daarop teruggekomen, zoals je waarschijnlijk in de gaten hebt. Moraal van het verhaal: de Port del Canto krijgt zeker geen topklassering in mijn lijst van favoriete cols en mócht je ‘m doen: haal het niet in je hoofd ‘m via de LV5131 op te rijden.

Of positiever beredeneerd, zoals fietsmaat Ivo constateerde op Strava: “In de gehele geschiedenis van de mensheid hebben slechts 20 mensen deze klim overleefd, chapeau!”

De rit: the movie

Rit op Strava

Verstopte col in de Spaanse Pyreneeën: Port Ainé

Na de klim naar Port de la Bonaigua dacht ik me erbij neer te leggen dat ik geen serieuze cols meer zou doen tijdens onze Pyreneeën-vakantie. Ik had al een paar interessante routes uitgestippeld als alternatieven, totdat ik via een lijst met cols in Spanje en Portugal op de website Climbbybike beland. Na wat doorklikken ontdek ik nog twee serieuze beklimmingen in de nabije omgeving. Joepie!

De eerste is de goed verstopte Port Ainé. Tussen de stadjes Rialp en Sort bevindt zich een afslag naar dit skistation. Zelfs op de behoorlijk gedetailleerde kaart die ik van deze omgeving heb gekocht is deze weg nauwelijks waar te nemen. Met speurwerk en de info van Climbbybike (waarvoor dank, goed gedaan) vind ik het. Na deze vakantie met de auto al een keer vast gestaan te hebben op een onverharde weg, weet ik inmiddels dondersgoed dat op mijn kaart een witte weg een onverharde weg betekent en een grijze weg een geasfalteerde. De route naar Port Ainé is grijs, da’s fijn, dus klimmen maar!

Sociale vent
Vandaag fiets ik niet alleen. Gisteren vroeg Annelieke, een Groningse dame van onze camping, of ik het een goed idee vond dat ze me zou vergezellen bij mijn rit. Geen probleem, aldus deze sociale vent. Ik hoop maar dat ze me na vandaag ook nog leuk vindt. Al met al staat er een rit van ruim 80 kilometer op de planning.

De route begint met de lekkere afdaling vanaf camping La Mola naar de C13. Deze vijf kilometer met prachtige uitzichten blijft heerlijk. Onderaan slaan we rechtsaf naar Sort en consorten. Na de klim naar Port de la Bonaigua weet ik dat de grote weg helemaal niet zo druk is. Redelijk ontspannen rijden we in een strak tempo (de weg daalt licht) naar de afslag, die we na een kilometer of 25 bereiken.

Kilometerpaaltjes!
De klim begint met een aangename verrassing: een luxe uitvoering van de door mij geliefde kilometerpaaltjes. Het Spaanse bord vertelt me meer dan ik begrijp, maar ik maak er in ieder uit op dat we nog 18,6 kilometer lang gaat stijgen.

Het begin is vrij stevig met een stijging van tussen de 7 en 9 procent. Door de bosrijke omgeving hebben we op deze warme dag veel stukken waar we in de schaduw kunnen rijden, een groot verschil met de Port de la Bonaigua. Doordat we met zijn tweeën zijn en we genoeg te bespreken hebben, ervaar ik dat de kilometers snel voorbij lijken gaan.

We passeren een stel koeien en zien tussen de boomrijke stukken door steeds vaker uitzichten op de afwisselende bergkammen van de Pyreneeën. Wat een waanzinnig mooie omgeving is het hier toch.

Steilste stukken
De laatste kilometers zijn de pittigste van de Port Ainé. De steilste stukken beginnen kort na het skistation dat op 4 kilometer van de top is gelegen. Mijn Mio noteert regelmatig een 11 of 12 op zijn scherm. Dat gaat dan over de percentages. Niet over mijn snelheid, want die ligt hier beduidend lager.

De top bestaat uit de zelfde lift als die we 4 kilometer terug aantroffen (maar dan de bovenkant, begrijpt u?) en een berg asfalt waar een leger aan campers kan parkeren. We tellen er slechts één, dus we kunnen stellen dat het hier lekker rustig is. De uitzichten vanaf de weinig sprankelende asfaltvlakte zijn wel heel mooi.

Buffetten op de top
Minder mooi zijn onze lege bidons. De circa 45 kilometer en warme luchten hebben gulzige fietsers van ons gemaakt. Tegen al mijn verwachting is een restaurant op de top geopend. We nestelen ons in een tamelijk sfeerloze ruimte (ik heb betere après-skigelegenheden gezien) en worden door het vriendelijke personeel gewezen op de uitgebreide buffetten die we mogen aanvallen. Gezien de enorme rust op de 18,6 kilometer lange col – we hebben nul wielrenners en slechts een handvol auto’s gezien – begrijpen we niet voor wie al dat eten en al dat personeel klaar staat. Ook wij moeten de Spanjaarden teleurstellen en vertellen dat we slechts fris en een simpel broodje willen. Geen probleem, maar of we dan willen plaatsnemen in het naastgelegen cafetaria. Daar worden we vervolgens netjes aan ons maaltje geholpen, door precies de zelfde personeelslieden. 😊

Met gevulde magen dalen we weer af naar de C13. Omhoog constateerden we al dat we niet de snelheden zullen halen van de uitstekende afdaling van de Port de la Bonaigua. Een terechte voorspelling, want het asfalt is van matige kwaliteit. We stuiteren met mooie uitzichten naar de grote weg.

Géén typische skicol
Inmiddels kunnen we ruimschoots concluderen dat ondanks de skibestemming de Port Ainé niets weg heeft van een typische skicol. Waar skicols zich laten kenmerken door grote, brede wegen met veel verkeer, liften, elektriciteitsmasten, toeristische voorzieningen en/of promotionele uitingen, is vrijwel niets van dit te zien op de verstopte, rustige route naar Port Ainé.

De vals platte ruime 20 kilometer van de C13 naar de afslag naar Espot vallen mijn fietsmaatje van vandaag zwaar. Na een korte energybreak is Annelieke klaar voor de laatste 5 kilometers klimwerk van vandaag. Na een kleine 90 kilometer met ruim 1700 hoogtemeters (volgens Strava zelfs nog 250 meer) sturen we onze fietsen voldaan de prachtige camping op.

Movie!

Rit op Strava

Mijn eerste Pyreneeën-col: Port de la Bonaigua!

Dé col waar geen enkele wielerliefhebber die Espot bezoekt omheen kan, is de Port de la Bonaigua. De hoge col ligt op de route van alle vakantiegangers die deze ‘binnendoorweg’ prefereren boven een omweg van ruim 100 kilometer via Andorra.

Vanuit Frankrijk en vervolgens het Spaanse Vielha schrikt ‘ie nog best af. De weg is op sommige stukken erbarmelijk. Ik was een paar dagen geleden blij dat onze Opel Astra en caravan de hobbel- en puttenweg glansrijk doorstonden. De diverse werkvoertuigen en stoplichten geven hoop dat de route in afzienbare tijd gaat verbeteren, maar voor deze vakantie mag ik weinig wonderen verwachten. Het goede nieuws is dat de weg vanaf de top richting ‘onze kant’ uitstekend is. De col staat daarom zonder twijfel genoteerd op mijn bucketlist van deze drie weken.

Hoogtemeters zijn er uiteraard zat te maken in deze omgeving. Het aantal rondritten en echt serieuze cols zijn tot nog toe lastig te vinden. De Port de la Bonaigua vormt daar met zijn lengte van ruim 18 kilometer en 1100 hoogtemeters een goede uitzondering op.

Na de heerlijke afdaling van vijf kilometer vanaf camping La Mola (Espot) zijn de eerst volgende vijf kilometers vrij vlak. Vanaf Esterri gaat de weg omhoog. De grote, brede C13 roept bij menigeen vraagtekens op om op te fietsen (is dat niet veel te druk? En gevaarlijk?), maar ik ken een miljoen mindere wegen. De C13 is overzichtelijk, niet heel druk en door zijn grote breedte past het rond rijdende verkeer ruimschoots langs me.

Stiekem stevig stijgen
De pittigste stukken van de klim bevinden zich in deze vijf eerste kilometers. Verkeersborden geven tot tweemaal toe een stijging van 9 procent aan. Het oog heeft dat nauwelijks in de gaten, omdat de grote brede rechtdoorgaande weg maar weinig prijsgeeft van zijn stijging. De benen en kilometerteller merken het echter wel.

Op het moment je naar Sorpe kunt afslaan, moet je dat vooral niet doen. Anders kom je niet op de Port de la Bonaigua namelijk. Vanaf dit punt wordt de col een echte col. Ook een echte skicol. Hoewel de eerste paar honderd meter na de Sorpe-afslag een smalle weg met mooie omgeving, inclusief bos, water en rauwe rotswand voorschotelen, verandert de weg snel weer terug naar een brede skicolweg. Dit blijft onveranderd tot de top (nadrukkelijk tot de top, want daarna wordt het dus een asfalt-met-grind-putten-en-stoplichten-weg.

Ik trap heerlijk ontspannen omhoog. Het is heerlijk om weer zo’n col te mogen beklimmen en in zo’n bergomgeving te zijn. De percentages zijn mild – na het beginstuk komt ‘ie vrijwel nooit boven de 8 procent, waardoor het ook nooit echt pijn gaat doen.

Stelviaanse bochten
Het gebied van de col is mooi, maar niet het meest geweldige berggebied waar ik gefietst heb. Zeker de grote elektriciteitsmasten maken de uitzichten er niet bepaald mooier op. Na een kilometer of twaalf klimmen verandert de lange rechtdoorgaande in een bochtachtige route. De Port de la Bonaigua wordt er nog geen Stelvio door, maar de serie haardspeldbochten doen me toch enigszins aan de Italiaanse topberg denken. De bochten zorgen ook voor mooie uitzichten, onder meer op de waterval van Gerber, die we enkele dagen eerder nog te voet bezochten.

Boerenkwaliteiten
In het deel met de haarspeldbochten waan ik me in de Maaslandse Commandeurpolder. Er lopen hier volop koeien rond in de weilanden naast de weg. Een aantal koeien wandelen ook stoïcijns óp de weg. Een mountainbikende Brit is hiervan nogal onder de indruk en staat zich met zijn fiets aan de hand radeloos af te vragen wat hij met de situatie aan moet. De aanscheurende Martin van Berkel is zijn heldhaftige reddingsboei, besluit hij. Hij stapt op zijn fiets, rijdt naast mij (uiteraard niet aan de kant van de koe) en passeert zo het beest. Fijn dat mijn Maaslandse boerenkwaliteiten vo van pas komen in de Spaanse bergen.

We rijden maar heel kort bij elkaar, want ik heb een prima tempo te pakken dat mijn Britse vriend niet bijhoudt. In de laatste kilometers word ik een aantal keren op het verkeerde been gezet doordat de Port de la Bonaigua doet alsof de top zich bijna aandient. Het ‘topbord’ vertelt me uiteindelijk dat ik de finish van van de 2072 meter hoge col heb gehaald. Uiteraard vier ik dat met een selfie.

Stof happen naar Baquiera
Uit nieuwsgierigheid daal ik nog een stukje af richting Baquiera, maar na twee kilometer stuiteren, uitwijken en stof happen, draai ik me om voor een bouwvakkersstoplicht. Op de top van de Port de la Bonaigua scoor ik een cola en een appeltaart en cross de góéde afdaling af.

Op het laatste deel van de afdaling sla ik af naar Son en Jou. Hierdoor mis ik de stukken waar je écht kunt vliegen, maar de heerlijke lus met nog wat mooi klim- en daalwerk is dat meer dan waard. De weg brengt me precies voor camping La Mola. Na ruim 64 kilometer en 1.600 hoogtemeters roept het lekkere zwembad.

Video!

Rit op Strava

Tóch buitencategorie: de Cormet de Roselend

Bij het zien van de Cormet de Roselend tijdens een Touretappe van eerder dit jaar wist ik het zeker: deze col móét ik ook doen. Op dag drie van onze tweede Alpendriedaagse van 2018 staat ‘ie op het programma. Joepie!

Tijd voor een warming-up is er niet vandaag. Samen met Jef en Kraan daal ik vanuit ons fraaie huisje af door Bourg Saint-Maurice. Na een kilometer volgen we het bordje dat ons de Roselend op stuurt. De klim is meteen begonnen. De stijging ligt in het begin rond de zeven procent en na het klimgeweld van gisteren op de Iseran voelen we de spieren. En de aries.

Vanaf de eerste meter is de Cormet de Roselend onderscheidend. Geen brede weg waar het bouwverkeer voorbij buldert, maar een smal weggetje waar we met name een boel Porsches voorbij zien scheuren.

Water
Na de eerste anderhalve kilometer volgt een deel met lagere percentages. Naast ons stroomt een mooi bergriviertje. Aan water is sowieso geen gebrek op deze col. Als er geen riviertje in de buurt is, melden kleine stroomtjes of watervalletjes zich wel.

Kraan en ik zijn onverbiddelijk en parkeren Jef. Met zijn tweeën raken we niet uitgekeken op de omgeving. Werkelijk overal is het mooi. De rotswanden, de groene hellingen, af en toe een gletsjer die zich in het uitzicht meldt: het is geweldig op de Roselend. Tijdens de klim wisselt het decor regelmatig. Van de bosrijke omgeving naar een uitzicht met verre uitzichten op het dal en van rotswanden tot uitgestrekte velden. Ook fijn: op deze col zijn er totaal geen wintersportperikelen zichtbaar. Geen liften, geen uitgekamde pistegebieden, geen elektriciteitsmasten, geen winkels, geen hotels, niets. Alleen natuur.

Ook de percentages wisselen. Meestal schommelen ze tussen de vijf en acht procent, af en toe zit er een uitschieter van één of negen procent tussen. De vorige twee klimdagen hebben enig effect op de vaart waarmee de col bestierd wordt, maar ondanks dat ervaar ik de berg niet als heel zwaar. Het is ook niet voor niets dat de 19 kilometer lange Roselend à zes procent gemiddeld geen buitencategorie maar eerste categorie is in de Tour de France.

Wel buitencategorie
De schoonheid vind ik dus wel buitencategorie, maar dat kreeg je vast al mee. Op de winderige top maken Kraan en ik rap wat foto’s en hijsen ons in windjacks. We wachten Jef op, die zich een minuut of tien bulderend op de top meldt. Op de finish drukt hij zijn voorwiel op vernederende wijze voorbij de fiets van een oude arme man.

We dalen 2,5 kilometer af naar een restaurantje. Voordat ik daar neerplof daal ik eerst nog wat verder af, omdat ik het Lac de Roselend wil bewonderen. Het prachtige blauwe meer doet niet onder voor de rest van de col. Ik rij een paar kilometers langs het meer, waarvan een groot deel filmend en fotograferend, waarna ik weer aan de klim terug naar de top van de Roselend begin. Ik voeg me bij Jef en Kraan op het terras, verorber een crêpe – mijn lieve vrienden hadden alle Croque Monsieurs opgegeten – en lach om Jef die uitgebreid verslag doet van de ‘witte berggeit’, verwijzend naar Kraan die in zijn witte pakkie een rondje door het mooie gebergte wandelt.

Met zijn drieën rijden we opnieuw richting de top, die we strijdend bereiken. De afdaling is vervolgens weer genieten. Zeker het middelste gedeelte met zijn smalle weg en vele haarspeldbochten vraagt enige stuurkunsten.

Voor vier uur sturen we onze fietsen Bourg Saint-Maurice weer in. We ploffen neer in onze luie stoelen en genieten van de laatste twee uur zon die we deze Alpendriedaagse krijgen voorgeschoteld. Met drie geweldige cols in prachtige omstandigheden voelen we ons bevoorrechte ‘grimpeurs’. Voorzichtig blikken we proostend vast vooruit naar de editie van 2019.

De klim: the movie

Rit op Strava

Col de l’Iseran: heerlijk en heul heul lang

24 kilometer tot de top van de Col de l’Iseran. Dat geven de bordjes aan bij het stuwmeer bij het skioord Tignes. Ik ben dan precies halverwege de klim, die de hoogste bergpas van Europa is.

In juli dit jaar deed ik de klim naar Val Thorens, die met 37 kilometer tamelijk oneindig was. Hoewel de recensies niet super positief zijn over het eerste deel van de Iseran, twijfel ik er niet aan: ik wil de godsallemachtige lange klim doen, die dus nog 11 kilometer verder gaat dan de weinig aantrekkelijke skicol.

De eerste tien kilometer stellen weinig voor. Meestal gaat de weg omhoog, maar de percentages zijn nooit indrukweekend. De weg gaat ook regelmatig naar beneden, waardoor ik na tien kilometer nog een gemiddelde rijd van boven de 20 kilometer per uur. Na een brug kort na de eerste tien kilometer gaat het serieuzere werk beginnen en zakt mijn gemiddelde snelheid in een rap tempo.

Mooi en gebulder
Ik ben aangenaam verrast over de omgeving. Het is mooi groen. Rechts naast me kijk ik uit op een mooie bergwand, die afwisselend groene natuur, watervalletjes en grijze en witte bergtoppen voorschotelt. Wat minder meevalt is de hoeveelheid verkeer. Vele auto’s en vrachtverkeer – beladen met enorme keien of de sneeuwschuifdingen van sneeuwschuivers – bulderen voorbij.

Na de Petit Saint Bernard van gisteren ben ik in de veronderstelling dat ik vandaag weer voornamelijk stukken van vier en vijf procent voor mijn kiezen krijg. Kilometerpaaltjes zijn er lange tijd niet te bespeuren op de recordklim. In tegenstelling tot mijn ervaringen op eerdere cols vind ik het op de Iseran eerlijk gezegd prima dat de kilometerpaaltjes ontbreken. Erg motiverend is het niet om te lezen dat je nog 47 kilometer moet, nog 46,nog 45 et cetera..

De laatste kilometers voor de splitsing naar Tignes, waar er al kilometerpaaltjes staan om te vertellen hoever het nog racen is naar dit skioord, zijn pittig. De percentages zijn hier enkele kilometers tussen de zes en de negen. In dat gedeelte komen Jef en Kraan voorbij, in een auto welteverstaan. Zij vinden het vandaag een beter idee om later te starten met de klim. Ze sturen verder naar Val d’Isere waar ze me opwachten.

Ravitaillering
Ik rij langs het fraaie stuwmeer van Tignes en rij even later Val d’Isere binnen. Mijn eerste bidon is leeg en de helft van mijn eten heb ik al achter mijn kiezen. Omdat stoppen op cols in mijn beleving uit den boze is – vergeef me mijn tic – maak ik dankbaar gebruik van de ravitaillering die Kraan en Jef me bieden.

Met zijn drietjes gaan we de laatste 18 kilometer tegemoet. Kort na Val d’Isere wordt het landschap echt mooi. De bergen zijn schitterend ruig. Riviertjes, watervalletjes en zelfs een serie marmotten vergezellen ons. En de hoeveelheid verkeer is hier tot een minimum beperkt. Heerlijk.

De route blijft tot aan de top prachtig. Wel wordt het uitzicht af en toe belemmerd met een enkele hijskraan die bezig is voorbereidingen te treffen voor het winterseizoen en ontbreken ook diverse skiliften niet. Ook bijzonder: delen van de klim leggen we af op een weg die in de winter is omgetoverd tot een piste. De bordjes die we onderweg zien verraden deze aanstaande winterse metamorfose. De wintersporttaferelen op deze berg neem ik probleemloos voor lief, de rest van de mooie omgeving compenseert dit ruimschoots.

Kleine voorsprong
Na tien kilometer gezamenlijk klimmen, vinden mijn benen het een goed idee om Rogier en Jef een kleine voorsprong te gunnen. Mijn hoofd niet. Maar de 40 voorgaande klimkilometers hebben blijkbaar invloed op de energie die in mijn benen zit.

Het leuke hiervan is dat ik een welkomstcomité heb wanneer ik na 3 uur en 59 minuten fietsen de 2770 meter hoge top bestier. De 48 kilometers à gemiddeld 4,1 procent zijn gedaan! Zowel Jef als Kraan maken video’s en vallen me huilend in de armen. Dat laatste zou ook fictie kunnen zijn.

Video: aankomst op 2770 meter

 

Dit bericht bekijken op Instagram

 

Wat een col en wat een onthaal 😊 #4uurklimmen #2770meter #iseran #alpes #kramp

Een bericht gedeeld door Martin van Berkel (@vberkelm) op


Waanzinnig uitzicht

Op de top wandel ik met Rogier naar een plek waar we een waanzinnig uitzicht hebben op het schitterende berggebied. Terwijl ik zit, nemen mijn bovenbeen allerlei rare vormen aan. Mijn spieren barsten van de zin in een meedogenloze krampaanval, die er gelukkig uiteindelijk net niet komt. We maken foto’s en videootjes en bereiden ons voor op de terugweg.

De afdaling is adembenemend. De weg is overzichtelijk, van redelijke kwaliteit en omringd met toevalligerwijs dezelfde schitterende omgeving als bij de heenweg. Ik vind het enorm genieten.

Nadat we nog wat opnames van marmotten hebben gemaakt, drinken we in Val d’Isere met zijn drieën een colaatje, waarna ik in mijn eentje de terugreis afrond. Even na vijf uur plof ik na 98 kilometer gesloopt in de tuin van ons vakantiehuisje. Jef en Kraan komen kort daarna aan met een uitstekende McDonalds-maaltijd. De uitgesteld lunch bevalt me voortreffelijk, net als de welverdiende biertjes. Het was net als gisteren een geweldige dag. En morgen weer een, wanneer de Cormet de Roselend op het programma staat. Life’s good!

Rit op Strava

Petit Saint-Bernard: tof én (een beetje) easy

Na een aantal kilometer klimmen staat op het asfalt van de Petit Saint-Bernard geschreven: ‘decision time’. Ga je voor ‘tof’? Dan moet je de pijl rechtdoor volgen naar Montvalezan en de Iseran. Ga je voor een ‘easy’? Volg dan de pijl naar links, het vervolg van de Petit Saint-Bernard.

Op dat moment zijn we een kilometer of zes onderweg op de col die begint in Bourg Saint-Maurice. Het moet gezegd: zwaar kunnen we de col niet noemen. Samen met Jef en Kraan, waarmee ik onze tweede Alpendriedaagse van 2018 beleef (wat een luxe!) pendelen we de milde eerste kilometers op. De percentages zijn hartstikke vriendelijk, de afstand naar de top minder. De Petit Saint-Bernard is zo’n 28 kilometer lang. De top laat op zich wachten totdat je op hoogtemeter 2188 bent.

Het klopt: de klim is easy. Er is weinig verkeer – wat ongetwijfeld te maken heeft met onze timing; op een donderdagmiddag eind september zijn de meeste toeristen gewoon aan het werk – en de percentages zijn de gehele col makkelijk. Een enkele keer geven de kilometerpaaltjes aan dat je een kilometer à zes procent tegemoet gaat, maar meestal staat er een vier of vijf op genoteerd. Sowieso komt ‘ie volgens de paaltjes nooit boven de zes.

Groen
De omgeving is mooi en heel groen. Aan alle kanten heb je uitzichten op bergtoppen en dalgebieden. In tegenstelling tot diverse cols in de omgeving bepaalt niet het toerisme landschap bepaalt op de Petit Saint-Bernard. De col heeft met La Rosière wel een skioord, dat eerder dit jaar overigens de finishplaats was van een Touretappe, maar het aantal liften, elektriciteitsmasten of andere landschapverstorende objecten valt mee.

In de laatste kilometers van de klim, waarin ik inmiddels volledig vergezeld ben tussen mooi groen natuurschoon dat doet denken aan de Sarenne, zie ik het eindpunt van de col. Dat doet me weer denken aan de Ventoux en de Stelvio. Ook daar kijk je de laatste circa zes kilometer uit op de top. Alleen heeft de Petit Saint-Bernard een verrassing in petto: het ogenschijnlijke eindpunt is slechts een tussenpunt op een kleine kilometer van het echte eindpunt.

Inmiddels zijn de benen al behoorlijk volgelopen. Af en toe valt een lichte krampstuip me lastig. Hoewel 26 kilometer klimmen tegen 5,1 procent gemiddeld uiteindelijk gewoon een aardige klus is, doet het nooit echt pijn. Wellicht dat mijn nieuwe fiets – ik koers sinds vandaag op een Giant Defy – hier ook bij helpt. Ik ervaar prettig comfort bij onder andere het sturen en schakelen. Ook het lichte gewicht van de fiets is een prima bijkomstigheid.

Honden
De finish van de Petit Saint-Bernard bevat een onleesbaar bestickerd finishbord, waar natuurlijk een ‘topfoto’ mee volgt. Ook de diverse gefabriceerde Sint Bernard honden vragen om een toeristisch fotootje. Ik rij nog een klein stukje verder en beland in Italië. Op het Italiaanse grondgebied nestel ik me op een heerlijk zonnig stekkie waar ik genietend uitkijk op een groene bergvlakte omringd met bergtoppen.

Samen met Jef koers ik, nadat ik drie Sint Bernard knuffels voor de kids heb gescoord, terug naar Bourg Saint-Maurice. Onderweg moeten we Kranus oppikken, die de col vandaag bepaald niet easy vond en na tien kilometer een rustplek (wel een tijdelijke, voor de goede orde) opzocht om rustig te braken en wachten. Ik ervaar in de afdaling dat mijn nieuwe bike veel comfort biedt door zijn dempende vermogen. Ook over remkracht heb ik door de schijfremmen niets te klagen. Het aansnijden van de bochten vraagt nog wel wat gewenning.

Met zijn drieën rijden we Bourg Saint-Maurice in. Dag één van onze nieuwe Alpendriedaagse was heerlijk. Ook was ‘ie net als voorgaande keren weer surrealistisch. Van de een op de andere dag beland ik van drukke werksferen in de geweldige in- én ontspannende Alpensferen. Geluk op een berg!


Rit op Strava

Dubbele Madeleine

In mei stond kwam ik door verlate sneeuw niet verder dan een paar kilometer onder de top. Afvinken kon en wilde ik de Col de la Madeleine dus nog niet. Vandaag een nieuwe poging!

In tegenstelling tot mijn poging van mei doe ik de Madeleine nu vanaf de noordkant, naar zeggen de mooie kant. De voet van de klim ligt op zo’n vijf kilometer van onze camping in Aigueblanche. Da’s makkelijk.

De start van de klim is nog vergelijkbaar met die van de vele skicols in de nabije omgeving: een brede weg die ambitieus de hoogte in slingert. De eerste twee kilometers zijn meteen serieus klimwerk met een stijging van zo’n negen procent. Daarna vlakt ‘ie wat af. Wat ook afvlakt is het geluid van de snelweg, dat je in de eerste minuten nog meezuigt de col op.

Alpenrust
Met iedere meter neemt de serene Alpenrust toe. Na een paar minuten voel ik al het verschil met de cols van Val Thorens, Valmorel en de skioorden die ik hier tot nu toe met de auto heb gereden. Er is veel minder verkeer en op de een of andere manier ademt deze col wielrennen in plaats van toerisme. Ook de versmallende weg heeft hier zijn invloed op.

De kilometers na de eerste stevige stijging zijn vrij mild. Helemaal mild wordt het na zo’n tien kilometer klimwerk. Gedurende een kilometer of drie stijgt de weg maximaal drie procent. De weg knikt zelfs even naar beneden, waardoor de druk even lekker van de benen kan.

Witte Mont Blanc
Na het makkelijke stuk gaan de percentages gedurende een kilometer of zes naar de zeven à negen procent en worden de uitzichten langzaamaan almaar mooier. Een blik naar het noorden laat me in de verte de witte (jaja) toppen van de Mont Blanc zien, een bocht naar het zuiden zorgt voor het aanzicht van de geweldige, woeste bergomgeving van de Madeleine. Het groen van het gras en de bomen, de diverse watervalachtige riviertjes en de grijs-bruine rotswanden met daarop soms zelfs na deze warme zomer nog besneeuwde vlakken: het is genieten op de Madeleine.

Na een kort eenvoudiger deel maakt de Madeleine zich de laatste kilometers zich op voor een eindsprint met een stijging van tussen de zeven en tien procent. De laatste paar honderd meter, waarin ik me in een weiland waan, zijn relatief vlak, zodat ik met een mooi gangetje de top bereik.

Encore une fois
Na de traditionele ‘topfoto’ en een blik in de souvenirshop waar ik wat water insla, volgt de afdaling. Naar La Chambre welteverstaan. Ik voel me prima en waarom zou ik de col ook vanaf de andere kant te bestijgen?

De zuidkant is in alles veel meer een skicol dan de noordzijde van de Madeleine. De liften, het skioord Saint Francois Longchamp, de drukte en de brede weg. Dat laatste bevalt me prima in de afdaling. Met een lekkere vaart rij ik het Maurienne-dal en de tropische temperaturen tegemoet.

Volop ingrediënten
Na een korte twijfel voor mijn route op de terugweg, kies ik ervoor de op dezelfde manier op te scheuren zoals ik ‘m afdaalde. De alternatieve route, die ik in mei als afdaling koos en waarvan mijn lichaamsdelen waarop ik zuinig ben inmiddels enigszins hersteld zijn, ligt volop in de zon. Doe maar niet. Hoewel het inmiddels een uur of twaalf is en ook de D213 voor een groot deel in de zon ligt ben ik klaar voor de terugweg. Een dubbele sandwich, een cola en de afstand van ‘slechts’ negentien kilometer (dat is maar de helft van Val Thorens – makkie dus :-)) zijn volop ingrediënten voor een goede afloop.

Zwaarste col
Ik herinner me wel de woorden van de Fransoos met wie ik in mei samen op een beklimming reed: ‘de Madeleine is een van de zwaarste cols die ik ken’. En daarmee bedoelde hij de zuidzijde. Natuurlijk kan ik ook putten uit mijn eigen ervaringen van een paar maanden geleden. Die herinneringen gaan vooral naar de ongenadige stabiele percentages. Zelden komt dit ding onder de zeven procent. Ook vandaag toevallig niet.

Het eerste deel kom ik best aardig door, al merk ik dat mijn benen al veel energie verspeeld hebben. Na een kilometer of tien worden de benen écht getest. Het kilometerpaaltje kondigt aan dat de percentages de dubbele cijfers ingaan. De weg die volop in de zon ligt – met uitzondering van stukje waar een afdakje dat wat schaduw biedt – zuigt nog wat extra krachten uit mijn steeds meer volgelopen benen.

Doodzonde
Het laatste kwart van de klim denk ik zelfs aan een korte pauze, een doodzonde wat mij betreft. Op vier kilometer onder de top, waar ik in mei niet verder mocht vanwege de sneeuw die opgeruimd werd, breek ik met mijn principes: mijn voet gaat aan de grond. Twee klimmers die ik eerder inhaalde gaan me voorbij, ongetwijfeld met wat innerlijk gegniffel. Ik vind het best. De benen willen rust en geen kramp. Daarna stap ik op om met een bloedgang, maar dan een hele trage, de top te bereiken. Tussen de pijn en het gepuf door geniet ik wel weer ‘gewoon’ van de omgeving van de laatste kilometers, waarin de mooie bergtoppen en vergezichten vrijwel overal te zien zijn.

Mijn pauze op de top is van korte duur. Snel duik in de afdaling naar Aigueblanche weer in. Het verschil in de uitzichten en sfeer zijn groot; de noordkant is zóveel mooier. Ik geniet van de 25 kilometers die bijna allemaal naar beneden gaan. Mijn maximale snelheid is 70 kilometer per uur. Een lekke band op twee kilometer van ‘thuiskomst’ bezorgen me nog een ongewenste vertraging, maar na een fietsavontuur van 6,5 uur, 100 kilometer en 3.000 hoogtemeters plof ik voldaan een aantal minuten neer op de camping. En dan: Piscine Camping du Morel, waar mijn kids me enthousiast en met vele entertainmentwensen ontvangen. Het is een heerlijke dag.

 


Rit op Strava

37 kilometer en een miljoen skiliften

Fontaine le Puits 7,5. St Jean de Belleville 12. St Martin de Belleville 19. Les Ménuires 27. Val Thorens 37. 37 kilometer. Dat is de boodschap van het witte bord met zwarte letters aan de voet van de enorme skicol. 37 kilometer klimmen.

Zo’n klimafstand heb ik nog niet op één col eerder overbrugd. In de eerste kilometers buigt mijn hoofd zich over wat rekensommetjes. Als ik op de helft zit, heb ik nog zo’n 18 kilometer te gaan. Da’s zo’n beetje de afstand van een normale col. Een beetje onwerkelijk is het wel.

De weg is volledig naar verwachting breed genoeg voor grote ladingen touringcars. Vandaag is het aantal bussen dat me passeert op één hand te tellen, maar dat maakt van de D117 nog geen rustig colletje. In het eerste deel van de rit suizen de Peugeot- en Renault-busjes en ander woonwerkveer me op deze vrijdagochtend om de oren. Daarna is het de beurt aan de toeristen die de hooggelegen plaatsen opzoeken. Althans, dat lijkt me een logische volgorde van de verkeerstroom.

Om een uurtje of 9 heb ik mijn eerste vijf kwartier fietsen erop zitten. Ik rij langs het dorpje Villarly (het lijkt wel alsof ieder gehucht hier begint met ‘Vil’) en hoor een haan drie keer kraaien. Bij onze achterburen begint zo’n beest rond de klok van zes uur. Blijkbaar passen die beesten zich makkelijk aan andere culturen aan.

Na een kleine anderhalf uur toeren ben ik tevreden met hoe het gaat. Ik ben bijna op de helft, wat me alleszins meevalt. Het moet gezegd: dat heeft zeker te maken met de percentages (zelden ligt de stijging boven de zeven procent) en met een vlak en zelfs dalend stuk na ruim tien kilometer klimmen. Deze beperkingen in hoogtetoename kunnen natuurlijk ook niet uitblijven, anders zou ik op de maan uitkomen.

Of de route in het grootste skigebied van Europa mooi is? Nou, een topnotering zit er absoluut niet in voor deze col. De 37 kilometer maken ‘m bijzonder, de omgeving is weinig indrukwekkend. Na Les Ménuires (dan heb ik er dus al 27 kilometertjes opzitten) krijg ik wel mooie uitzichten op het dal en de gletsjers voorgeschoteld. Vooral de laatste paar kilometers vind ik de omgeving fotogeniek genoeg om mijn iPhone en actioncam regelmatig beelden te laten schieten. De een miljoen stroomkabels, skiliften, sneeuwkanonnen en ander wintersportmeubilair neem ik daarbij voor lief.

37 kilometer is best een stukkie, zo laat mijn lichaam de laatste kilometers blijken. De authentieke kilometerpaaltjes (waar ik groot fan van ben!) hebben me bijna de gehele rit netjes verteld waar ik me bevond en wat ik de komende kilometer kon verwachten. In de laatste kilometer geeft de routemarkering helaas niet thuis en moet ik gissen waar de top is. En waar ik mijn finishfoto kan schieten. Ik kies een van de vele routeborden met daarop een paar van de 4.000 hotels, waarna ik nog wat rondscharrel in het 2.300 meter hoge skioord dat ik tweemaal eerder in de winter bezocht. En dan: afdalen! Bijna 37 kilometer lang.

Rit op Strava

Geweldig: 18 lacets & Col du Chaussy

We hebben zin in vandaag! Op het programma staat vandaag de Lacets de Montvernier. Of de Mini Stelvio, zoals we deze col ook gerust kunnen noemen. Achttien haarspeldbochten in 3,4 kilometer, allemaal uitgehakt in een bergwand. En daarna doen we de Col du Chaussy, die voor ons alle drie nog onbekend is. Het toetje van de menukaart van vandaag heet de Col de la Madeleine.

Vanuit Saint Jean de Maurienne koersen we af op Pontamafrey, het dorpje aan de voet van ‘de lacets’. Voor de niet-fietsers en niet-Franstaligen: lacet bekent haarspeldbocht. Het aangezicht van de achttien bochten is al fenomenaal. Eigenlijk kán hier helemaal geen weg liggen. Wie dat heeft verzonnen, verdient de Nobelprijs der wielerkunde, als ‘ie zou bestaan.

Wat feiten over de Lacets de Montvernier:

  • Aantal haarspeldbochten: 18
  • Lengte: 3,4 kilometer
  • Maar dat had ik al gezegd
  • Eén keer opgenomen in de Tour de France (tot 2018)
  • Hoogteverschil: 267 meter
  • Geopend in 1934
  • Duur aanleg: zes jaar
  • Gemiddeld één haarspeldbocht per 150 meter
  • Gemiddelde stijging: 8%
  • Maximale stijging: 13%
  • Aantal Strava-fietsers dat de col heeft beklommen: 13.471 (tot 26 mei 2018)
  • Snelste tijd: 9.06 minuten (van de voet tot dorpje Montvernier)
  • Houd je van fietsen? Deze móét je doen!

Vanaf de voet van het colletje is het meteen werken. Ik druk op de record-knop van de actioncam om het avontuur op te nemen. En ik spreek de beenspieren aan, want kracht en actie is benodigd; vanaf de start is duidelijk dat de weg goed opwaarts gaat.

De tel kwijt
Van mijn voornemen om de bochten te tellen neem ik in bocht twee afscheid, omdat ik de tel al kwijt ben. De klim is een feest. Ik ram van bocht naar bocht, voel het vuur in de spieren en geniet van de uitzichten die het weggetje biedt. Elke bocht brengt je een verdieping hoger en geeft je een nieuwe blik op het groeiend aantal verdiepingen onder je.

Na achttien bochten loopt de weg – nog steeds omhoog – naar een bruggetje. Daar stop ik om Kraan en Jef op te wachten. Mijn tijd op het Strava-segment  ‘Les Lacets de Montvernier switch backs’ is 12.25. Hoewel ik hard mijn best gedaan heb, ben ik zeven minuten langzamer dan Michela Ljungdahl, die dit stukje in 5.17 deed. Pffff!

Na de komst van mijn maten wandelen Kraan en ik een paadje in om – volgens de verhalen – een prachtig beeld op het colletje te krijgen. Als we onszelf door de bosjes een weg banen, treffen we dit uitzicht inderdaad aan. We nemen wat foto’s – heel voorzichtig, een glijpartij betekent een duik van zo’n 200 meter – en wandelen terug naar de fietsen. De Col du Chaussy wacht op ons.

Superlatieven voor de Col du Chaussy
Over deze col weten we weinig. Qua naam is het een onbekende, ook omdat ‘ie pas één keer is opgenomen in de route van de Tour de France. Na de overweldigende start met ‘de lacets’ blijft deze col schitterend. Afwisselend brengt de route je door bos en werkelijk waanzinnig mooie uitzichten. Een groot deel van de route kun je genieten van het uitzicht op de fraaie bergtoppen van de omgeving. Een deel van de route kun je gerust ook een balkon noemen. Aan mijn rechterhand kijk ik in de grote diepten van het dal met daaromheen het spectaculaire decor van het schitterende gebergte. Je merkt het: ik trek alle superlatieven uit de kast om te omschrijven hoe geweldig de omgeving van Col du Chaussy is. Tel daarbij de rust van de klim en de prima percentages – de col is zeker geen makkie – op en de Col du Chaussy is niets anders dan een lust voor grimpeurs en wielertoeristen. Dat een strook van enkele honderden meters bezaaid was met kiezelsteentjes die hinderlijk aan onze wielen blijven plakken, nemen we voor lief. Blijkbaar had de plaatselijke onderhoudsploeg het even te druk om de stilstaande wals naast deze strook even over de weg te rollen.

Op de top van de col (1533 meter) ploffen we neer op het terras van Restaurant du Col de Chaussy. Vraag me niet waarom het hier ‘de Chaussy’ is en de berg Col du Chaussy heet. De uiterst vriendelijke Franse dame heeft een karige menukaart. Nou ja, er is niet eens een kaart. We maken de keuze voor kip met aardappelen en worteltjes. De enige keuze die we hebben in feite. Niet bepaald een wielermaal en na de inspanning van zojuist is het ook op het terras hard werken, nu om de borden leeg te kunnen retourneren. Alleen Rogier slaagt hier enigszins in. Knap werk.

We dalen de col af richting La Chambre en genieten ook hier van de fraaie uitzichten. De weg aan deze kant is nieuwer en beter dan de route die we beklommen, zodat het afdalen lekker gaat. Een paar kilometer voor La Chambre bereiken we een T-splitsing. Linksaf betekent verder afdalen, rechtsaf betekent de Col de Madeleine. Jef en Kraan kiezen voor het eerste, ik plak er nog een paar hoogtemeters aan vast.

Prochaine destination: Col de la Madeleine
De kans dat ik tot de top kan doorfietsen is minimaal, omdat de boodschap op internet duidelijk is: le Col de la Madeleine est fermé. Nou, dat zullen we eens zien. De weg van deze klim is breed. Tussen de bosrijke stukken door krijg ik links regelmatig uitzichten op het dal aangeboden. En voor me de witte toppen van wintersportoorden. Zeker mooi, maar na de Col du Chaussy is het automatisch een niveautje minder.

De percentages van de Madeleine zijn best stevig. Het gemiddelde van deze klim is acht procent. Ondanks de inspanningen van de Chaussy en die van gisteren gaat het lekker. Kort na het skioord Saint Francois Longchamp mag ik helaas niet verder; la route est barré. Verderop zie ik hoe de onderhoudsploegen de weg sneeuwvrij aan het maken zijn. Zonde! Deze berg mag ik dus nog een keer ‘voor het echie’ over gaan doen.

Stuiteren
Gelukkig is de weg wel geopend tot na de kruising waar ik de keuze kan maken om aan de andere kant van het dal de afdaling te maken. Althans, gelukkig is een relatief begrip. Wat een stuiterballenafdaling is dit! Op een wegdek dat doet denken aan een Belgische snelweg stuiter ik alle kanten. Ik heb medelijden met mijn banden, mijn frame, mijn lichaamsdelen waar ik zuinig op ben en op mijn fietscomputer. Voor laatstgenoemde wordt het te veel en deze kiest er tweemaal voor om van mijn stuur af te vliegen.

Na enkele kilometers wordt het beter. De weg blijft smal en niet super overzichtelijk, waardoor ik verstandig mijn snelheid enigszins beperk. Voor een volgende keer dat ik de Madeleine ga doen weet ik één ding zeker: ik daal ‘m aan de andere kant af. Klimmen op deze mindere weg is overigens prima. De route is mede door zijn mooie uitzichten gaaf.

Ik overleef ook deze afdaling en vervolg mijn route via La Chambre naar Saint Jean de Maurienne. Bij de voet van de Lacets de Montvernier verlaat ik de te drukke weg om via rustigere wegen de laatste kilometers af te leggen. Een waanzinnige rit met 72 kilometer en ruim 2.000 hoogtemeters zit erop. Voldaan plof ik neer op het terras bij Jef en Kraan, waar ik getuige ben van tovenarij in de Giro: Froome is hoofdrolspeler in zijn eigen sprookje en rijdt zich met een solo van 80 kilometer in de roze trui.


Rit op Strava