Ventoux-trilogie – deel 1 (Bédoin)

Wat. Een. Ding. Die woorden app ik Claudia op de 1911 meter hoge top. Weken heb ik er naar uitgekeken. De eerste week van onze heerlijke vakantie heb ik me ingehouden, mede door het soms onstuimige weer. Maar maandag 15 juni mag ik! De Mont Ventoux op! Na in m’n prille wielrencarrière eerder al een paar geweldige beklimmingen gedaan te hebben, mogen de Ventoux en vooral ik er vandaag aan geloven.

Samen met Claudia, Tijn, Jort en Meinou rijden we met de auto naar Bédoin. Op de plaatselijke markt slenteren we rond. We halen brood bij een bakker en peuzelen dat op in een speeltuintje. Het zonnetje brandt voorzichtig op onze hoofden. Hoe anders is het uitzicht op de kale top van de mystieke berg. Z’n kale knijter is niet eens te zien. Een dik, donkergrijs wolkendek verstopt ‘m. Ga ik me straks in dat ellendige weer storten? Een kleine twijfel over uitstel doemt in me op. Claudia’s vraag ‘Wat wil je dan doen? Weer in de auto stappen?’ neemt m’n twijfels weg; natuurlijk ga ik fietsen. Ik zou gek zijn dat, nu we in Bédoin zijn, niet te doen.

Met engelengeduld en hulp van Claudia – je bent niet zomaar omgekleed, bevoorraad, geprepareerd en opgestapt – ben ik zover. M’n voorband pomp ik op tot slechts vijf bar, uit vrees voor lekke band nummer 782 in de laatste zes weken. Daarmee dek ik me meteen een beetje in voor een tegenvallende tijd.

Door de marktdrukte heen ben ik snel bij de voet van de klim. Een bordje vertelt me dat de tocht naar de top 21 kilometer is. Ik hoop ‘m in een uur of twee op te razen. De eerste twee, drie kilometer gaan prima. Met 2,5 procent stijging beleef ik een prima warming-up. Het opwarmen verandert in verhitting als het bos begint. De kilometerpaaltjes kondigen zakelijk percentages van 8,8 en 9 aan. Dit gaat de hele klim in het bos zo door.

IMG_0063

Ik had de hoop dat de grijze wolken niets meer dan mist zouden zijn, zoals op het weerbericht voor Bédoin te lezen was. De natte jasjes van de tegemoetkomende dalers halen me uit m’n illusie. De natte delen van het wegdek voorspellen ook niet veel goeds. De regendruppels die me halverwege het bos begroeten, zijn dan ook geen verrassing.

Inmiddels ben ik al een flink aantal mensen gepasseerd, waaronder een handbiker (zó knap) en een flink aantal wielrenners wandelend met hun fiets aan de hand. Dat gaat recht in tegen mijn ‘regel’ tijdens beklimmingen: een voet aan de grond is verboden totdat de top bereikt is. Voor de goede orde: ja, ik ben zelf soms ook ingehaald. Sporadisch uiteraard.

IMG_2655

Het regent dus. Op m’n rug heb ik een regenjack zitten. Het zou heel eenvoudig zijn even in de remmen te knijpen en dat ding aan te trekken. Maar ja, dat kan dus niet. Ik frommel ‘m dus al rijdend te voorschijn en trek ‘m met verbazend gemak aan. Maar de rits staat nog open. En de hoeveelheid druppels en de kou nemen toe. Ik heb twee handen nodig om m’n rits dicht te krijgen. Als je met losse handen wilt rijden, is een beetje vaart onontbeerlijk. In het Ventoux-bos ben ik echter al blij als m’n kilometertellertje de tien kilometer per uur aantikt. Dat is niet de vaart die ik wens om m’n jasje dicht te krijgen. Uiteindelijk is er een stukje waarin ik er een waanzinnige versnelling uit kan persen en m’n regenjack dicht rits. Obstakel overwonnen, waarna ik me weer kan bezighouden met fietsen.

Het aantal bomen neemt af. Ik weet niet waarom, maar de overgang tussen natuurrijk en natuurloos landschap fascineert me altijd weer. Ook hiervoor kom ik op de Ventoux ruimschoots aan m’n trekken.

Met het bos laat ik ook de tot dan toe steilste kilometers achter me. Het kilometerpaaltje vertelt me dat de komende kilometer zo’n zeven procent is. Volgens mij bijna drie keer steiler dan de Brienenoordbrug, maar het voelt als een kleine verademing.

Ik passeer de afslag naar Sault en kom in een kaler en kaler landschap. Geweldig. Op dit gedeelte van de klim is het drukker. Vrij ver weg doemt de bekende rood-witte toren op. Zo ver is het dus nog. De weg ernaartoe, de inmiddels volledig kale omgeving (alleen m’n kop is nog groen), de herinneringen die ik koester van televisie en het uitzicht (het land richting Bédoin ligt zó laag dat ik me in een vliegtuig waan) laten m’n telefoon branden in m’n zak. Ik móét foto’s maken. Dat de prestatie hier wat onder lijdt, deert me weinig. De kilometerpaaltjes brengen afwisselend goed en slecht nieuws. De afstanden tot de top worden kleiner (jippie!), maar de percentages stijgen (au).

IMG_2669
Het kale ding bewaart het leukste tot het laatste: elf procent voor de laatste 500 meter. Die rammen er echt in. Wel krijg ik een opstekertje door de gedenkplaats voor Tommy Simpson (ik doe het toch beter dan hij) en een commerciële fotograaf van photoventoux.com. Z’n professionele uitrusting brengt de uitslover in me naar boven: ik sta op de pedalen en haal een andere zwoeger in. Alles voor de foto.

De laatste meters doen pijn, maar de top is bereikt. Klik. De schoenen mogen uit de pedalen. Zo’n fijn gevoel. Om me heen hoor en zie ik kapotte en voldane fietsers. Allemaal hebben ze hun verhaal. Degenen die weer genoeg op adem zijn vertellen hun avontuur in geuren en kleuren. De 160’s en het 180’s vliegen me om de oren. Dat gaat dan over geregistreerde hartslagen.

Zelf voel ik me uiteraard verrot en ook wat licht in m’n hoofd. Dat laatste gevoel ken ik niet van bijvoorbeeld de Col d’Izoard of de Col d’Agnel, die een stuk hoger liggen dan de Ventoux. Het was m’n zesde ritje van dit wielerseizoen – ik blijf immers een mooi-weer-fietser – en ik kan me voorstellen dat renners met een slechte conditie of gezondheidsklachten op deze berg in de problemen komen.

Op de top schiet ik tientallen foto’s. Ik betwijfel of ik deze berg nog vaker ga beklimmen tijdens deze vakantie. Het is wel een erg zware beproeving. Tijdens de afdaling, die ik na twee, drie onwennige kilometers fantastisch vind, is m’n twijfel volledig verdwenen. Natuurlijk ga ik ‘m nog een paar keer beklimmen. Ik zou gek zijn ’t niet te doen.

IMG_2719