Naast mijn rondje Stelvio had mijn vakantie in Zuid-Tirol nog vier schitterende fietsroutes in petto. Ik zet ze op een rijtje.
1. KURZRAS
Kurzras (Maso Corto op z’n Italiaans) is een wintersportplaatsje dat het einde vormt van een klim van ruim 20 kilometer. Vanaf de camping duurt de warming-up slechts enkele kilometers voordat ik de SS38 oversteek en aan de klim begin. Een lange tunnel met aardig wat (stinkend) autoverkeer is de weinig aantrekkelijke start. De tunnel is een kleine twee kilometer lang en loopt behoorlijk op, waardoor ik hier aardig wat minuten zoet in ben.
Langs de weg word ik vaak vergezeld door een riviertje met snelstromend bergwater. De omgeving is groen en in de verte lonken de witte sneeuwtoppen van het wintersportgebied. Helaas ontbreekt de route-aanduiding voor de klim onderweg. Omdat ik de klim zonder verdiepend leeswerk onbevangen op knal, heb ik weinig aanknopingspunten waar ik me precies bevind onderweg. Op het moment dat ik denk aardig bij de top in de buurt te komen, word ik verrast door een bord dat meldt dat ik nog 15 kilometer moet. Ik heb er dus pas zo’n tien gehad!
Levende stoplichten
Helaas ben ik tijdens de klim twee keer genoodzaakt mijn voet aan de grond te zetten, een doodzonde tijdens mijn beklimmingen. Wegwerkzaamheden met strenge levende stoplichten schaar ik echter maar onder overmacht.
Het tweede deel van de klim is gemakkelijker dan het eerste deel. Vooral rondom het stuwmeer is de stijging maar licht, waardoor de kilometers een stuk sneller gaan. Het laatste gedeelte is wel weer hard werken, waardoor ik blij ben als ik de top bereik. Mijn eerste serieuze klim van de vakantie zit erop en ik moet bekennen dat ik ‘m heb onderschat. De Colle di Maso Corto – bij gebrek aan een duidelijke naam voor deze col schud ik ‘m zelf wel uit mijn mouw – is er absoluut een van de buitencategorie. De eerste goede hoogtemeters van 2016 waren genieten!
Het avontuur op Strava
2. RONDJE SAN PANCRAZIO
Vandaag staat er een rondritje op het programma. Hiervoor ga ik met de auto naar Lana. Ik parkeer de auto volstrekt logisch, in de Sankt Martin Strasse. Ik rij naar het liftstation van waaruit een gondeltje vertrekt naar het idylische en kleinschalige wintersportgebiedje Vigiljoch. Bij de lift begint de klim. Al snel rijd ik tussen in de haarspelbochten en tussen de altijd aansprekende wijnvelden. Na een kilometer of zeven à acht zit het eerste klimwerk erop en volgen diverse vlakke of licht dalende stukken.
Bij het tweede stuwmeer dat ik tegenkom draai ik om en begin ik aan mijn terugweg. Ik vertrouw op mijn Mio fietscomputer, die me over mijn zelf uitgestippelde route voert. Ideaal dat ik me door dit apparaatje onderweg alleen maar hoef bezig te houden met de omgeving en het wielrennen en niet met kaartleescapriolen.

Panoramaweg
In het dorpje Sankt Walburg / San Valburga stuurt mijn Mio me van de grote weg af een klein weggetje in. Ik dacht dat ik het meeste klimwerk al achter de rug had, maar niets blijkt minder waar. De weg is bescheiden in de breedte, maar stevig in zijn stijging. Rechts van me worden de uitzichten almaar mooier. Ik bevind me op een heuse panaromaweg.
Zo’n drie kwartier verder bereik ik de top van wat de Mariolberg blijkt te zijn. En de top bevat zowaar een bord. Selfie!
De afdaling gaat niet echt rap. De weg is smal, niet al te goed en een paar Duitse auto’s gaan trager dan ik wil. Bij San Pancrazio kom ik weer terug op de grote weg en daal ik verder af naar Lana. Helaas krijg ik mijn rit van vandaag niet goed gesynchroniseerd naar Strava, maar in mijn Mio weet ik terug te vinden dat ik 50,2 kilometer heb gereden. Daar deed ik 2.52 over, wat mijn gemiddelde snelheid op 17,5 kilometer per uur brengt. De totale stijging was vandaag 1.279 meter.
3. COLLE DI MARTELLO OFZO
Buurman Wim fluisterde me na een wandeling in het Marteltal in dat de beklimming daar erg de moeite waard is om op de fietsen, ‘maar dat zeg ik maar niet te hard voor je vrouw’. Gelukkig heb ik een hele lieve vrouw die me af en toe mooie fietsuitstapjes laat maken op vakantie, zodat ik Wims tip kan opvolgen.
Ik rij vanaf de camping fietsen weg richting Goldrain, dat ook ongetwijfeld een Italiaanse benaming heeft. De route hiernaartoe loopt licht op en voert op uitstekende fietspaden langs de mooie en onstuimige rivier de Etsch. In Goldrain laat de klim niet lang op zich wachten. De eerste paar honderd meter lopen rustig op, maar zodra ik de plaatselijke houtzagerij gepasseerd ben, verwelkom ik de stevige percentages. Tot en met kilometer vijf zit er weinig gang in mijn klimwerk, wat hoofdzakelijk te maken heeft met de weg dit zo hard naar boven gaat.

Ik vraag me af wat het totale gemiddelde stijgingspercentage moet gaan worden van deze klim. Als dit namelijk zo doorgaat, gaat deze 22 kilometer lange klim qua zwaarte namelijk niet onderdoen voor de Stelvio. Bij het dorpje Bagni di Salto, wat ik veel lekkerder vind klinken dan zijn Duitse equivalent Bad Salt, keldert het percentage echter. Een afdaling van enkele honderden meters is de boosdoener. Ook verderop in de klim komt nog een keer een afdaling voor, waardoor het totale percentage van deze klim op slechts 6,4 blijft steken.
Huzarenstukjes
Hoe verder ik op deze klim kom, hoe rustiger het wordt. Toeristen en ander verkeer komen op deze klim een groot deel voor de toeristische locaties, de vele aardbeienvelden of het grote aantal startpunten voor wandelingen. De laatste kilometers van de weg zijn verboden terrein voor vrachtwagen en aanhangers, valt onderweg regelmatig op borden te lezen. Dat is niet raar, want de Colle di Martello – zoals ik de berg bij gebrek aan een duidelijk alternatief maar noem – heeft twee fraaie huzarenstukjes op het einde. Eerst schotelt de col in een afstand van enkele honderden meters tien haarspeldbochten – gecombineerd met stukken tot 13 procent – voor. Even later, wanneer ik al lang denk onder de finishvlag door te rijden volgen nog een keer acht van die bochten, met zelfs soms 14 procent stijging.
Anticlimax
De uiteindelijke finish is een anticlimax. Dit is een parkeerterrein waar de weg nog als half doorbakken poging tot uitlopend bospaadje met bos in loopt. Net als op de Colle di Maso Corto is er geen bord te bekennen waarvoor je met trots een selfie kunt maken om te bluffen met de naam van de berg en de hoogte. Dan maar een selfie met een verkeersbord, je moet wat.
Later lees ik op een informatiebord overigens dat de berg wel een naam heeft (Monte di Martello, ook mooi) en dat Quintana hier zelfs twee jaar geleden een zware Giro-etappe won. Ondanks mijn kritische noten over het gebrek aan de belevingscommunicatie voor wielrenners, vind ik de klim absoluut wel een beleving. Hij is mooi, ik heb het vele water (riviertjes, watervallen en stuwmeer) nog niet eens genoemd, en hij is lang, uitdagend, soms flink zwaar en niet zo druk. Ook leuk: met name de laatste vier kilometers van de afdaling kunnen de remmen los. Ik haal hier een keer ruim 77 km per uur.
Het avontuur op Strava
4. PASSO DI MENDOLA & PASSO DELLE PALADE
In een toeristisch boekje lees ik over een sportieve fietsroute vanuit Naturns over de twee ‘passo’s’ van Mendola en Palade. De totale afstand: 125 kilometer. Dat gaan Claudia en de kinderen niet leuk vinden, schat ik in. En mijn benen vermoedelijk ook niet. Met de routefunctionaliteit van Strava vind ik uit dat ik een ingekorte ronde van zo’n 70 kilometer kan doen als ik in het dorpje Tisens, net onder Lana, start. Gaaf!
De laatste kilometers op weg naar Tisens móét ik de auto ergens parkeren. De klim waarop ik me bevind ik veel te mooi om in de auto te doen. Een stukje verderop vind ik aan de linkerkant van de weg een parkeerplaatsje waar mijn laatste fietstocht van deze vakantie begint. Ik volg – via mijn Mio – de route uit het toeristische boekje, waardoor ik met tegenstrijdig gevoel de klim van de Passo delle Palade moet verlaten. Mijn route brengt me op een andere manier langs de twee bergtoppen.

Lief
Via een steile afdaling, kleine dorpjes, een Strada di Vino en langs een schitterende rossige rotsachtige bergwand rechts van me bereik ik de Mendelpassstrasse (veel s’en, hè?). Ik ben dan een kleine twintig kilometer op weg en hier begint het klimwerk. De Passo di Mendola / Mendelpass is bijna 15 kilometer lang, maar door zijn geleidelijke en bescheiden gemiddelde percentage van 6,5% is ‘ie best lief voor mijn benen. Ik rij ‘m in een aardig tempo op. De weg, met daar zelfs het aantal kilometers tot aan de top geschilderd, is goed en de uitzichten op het dal met daarin Bolsano zijn weer schitterend.

De top van de klim, die eerder dit jaar deel uitmaakte van het parcours van de Giro, ligt met zijn 1363 meter stukken lager dan de hoge jongens die ik eerder deze vakantie beklom.

Inmiddels zie ik een dreigend grijs wolkendek zich aandienen. Normaalgesproken gun ik mezelf na kliminspanningen een Italiaans of Tirols gerecht, maar voor nu laat ik dat achterwege. Ik daal, na een snelle selfie op de top van de Passo di Mendola, af richting Fondo om meteen verder te gaan met de volgende klim: de Passo delle Palade. Als je ‘m liever een lelijke naam geeft, moet je ‘m Gampenjoch noemen.

Omdat de afdaling niet zo gek lang duurde, kan deze klim gevoelsmatig nooit lang duren, schat ik verkeerd in. Daar klopt niets van, want hij neemt 13 kilometer in beslag. Met 4,1% als gemiddelde stijging is de berg verre van zwaar en kan ik aardig tempo maken. Dat is maar goed ook, want ik bevind me inmiddels in de regen en in de verte klinkt onweer. Mijn meegenomen jasje blijkt absoluut geen overbodige luxe.
Op de top maak ik weer een snelle selfie, waarna ik de lange natte afdaling begin. De weg is breed, goed en schotelt mooie uitzichten voor. Zonder al te veel risico’s nader ik snel de finish.
En dan zit het er echt op. Mijn laatste fietsrit van een geweldige vakantie zit erop. Ik heb vijf keer enorm genoten, maar weet nu al zeker dat er binnen nu en enkele jaren een vervolg komt op mijn belevenissen in Zuid-Tirol!
Het avontuur op Strava










Leave A Comment